Trudy Mol-Vendrig6 mei 2012 - 12:47 am / Nederland
‘Je eerste liefde vergeet je nooit’: en zo is het. Als 17-jarige kwam ik in 1969 in dienst bij de Wereldomroep. Eigenlijk wilde ik na mijn eindexamen MMS ‘maatschappelijk werkster’worden. Voor een opleiding aan de sociale academie moest je 18; om een jaar te overbruggen schreef ik lukraak op een advertentie in de Gooi- en Eemlander. Fonotheek-assistente; dat moest iets met muziek zijn dacht ik en dat leek me wel wat. Drie weken na m’n eindexamen was ik aan het werk en al gauw bleek dat ik voornamelijk platen en geluidsbanden moest opruimen, respectievelijk weer tevoorschijn toveren. De specifieke geur van de Basf-banden kan ik uit duizenden herkennen. Maar wat het werk speciaal maakte waren de collega’s, want die kwamen uit alle delen van de wereld.
Ik had het bij de Wereldomroep zo naar m’n zin dat het van studeren nooit meer is gekomen. Bovendien kreeg mijn carrière een andere wending: ik maakte promotie en werd programma-technicus. Als enige vrouw, met ook nog een volkomen a-technische opleiding, werkte ik tussen alleen maar mannelijke technische collega’s. Gelukkig stonden die mannen mij met raad en daad terzijde. Ik heb weliswaar soms flinke ‘feestschakelingen’ gemaakt, maar er is nooit een opname of uitzending de mist in gegaan.
Achteraf realiseer ik me met welke bijzondere mensen ik in de periode van 1969 t/m 1989 bij de Wereldomroep heb gewerkt. Voor de Nederlandse afdeling werden er ‘praatjes’ opgenomen met bijvoorbeeld Henri Knap, Karel van het Reve, Willem G. (Pim) van Maanen, Piet van Soest, Andries Pot en natuurlijk weerman Jan Pelleboer. Ook de legendarische Guus Weitzel heb ik nog heel even meegemaakt. En dan Peter van Brakel, die met lappen ‘sport-tekst’ altijd een foutloos parcours liep.
Voor mij was de Wereldomroep een boeiend bedrijf: al die nationaliteiten, verschillende talen en verschillende werkwijzen. De ene programmamaker kwam de studio binnen met een volledig uitgetikt draaiboek van 50 pagina’s, terwijl een ander vijf seconden voor tijd kwam binnengerend met meters afgescheurde telexberichten achter zich aan slierend. Maar wat mij vooral heeft aangesproken is de sfeer. Als technicus was je geen verlengstuk van de recorder, maar hoorde je bij het team dat een programma maakte. En daarbij hoort ook de lol die ik heb gehad. De slappe lach tijdens of na de uitzending met onder anderen Loretta Schrijver en Jeroen Pauw. Maar ook de live-verslagen van de treinkaping bij Wijster ( terwijl het gebouw van de WO werd bewaakt door de ME) en de vliegramp bij Tenerife. Nee de Wereldomroep was niet suf en stoffig, zoals soms wel werd gedacht. Zaken als aids en vrouwenbesnijdenis (Veronica Wilson) kwamen bij de Wereldomroep in de zeventiger jaren al aan de orde.
In 1989 nam mijn carrière opnieuw een andere wending en kwam ik als nieuwslezeres aan ‘de andere kant van het glas’ te zitten. Niet bij de Wereldomroep, maar bij de NOS. Eén ding is zeker; mijn ervaringen bij de Wereldomroep zijn daarvoor de grondslag geweest.
‘Merck toch hoe sterck’; hoe vaak zou ik het pauzeteken hebben gestart? Voor mij zijn het de klanken die horen bij de missie van de Wereldomroep: ‘Een bijdrage leveren aan een beter geïnformeerde wereld’. En daarbij hoort ook de korte golf. Deze vorm van communicatie blijft van groot belang voor (de vele) mensen die geen gebruik kunnen maken van de, ook door mij geprezen, digitale media.
Ik wens mijn eerste liefde, ook in afgeslankte vorm, alle goeds toe. Een hartelijke groet van Trudy Mol-Vendrig
‘Je eerste liefde vergeet je nooit’: en zo is het. Als 17-jarige kwam ik in 1969 in dienst bij de Wereldomroep. Eigenlijk wilde ik na mijn eindexamen MMS ‘maatschappelijk werkster’worden. Voor een opleiding aan de sociale academie moest je 18; om een jaar te overbruggen schreef ik lukraak op een advertentie in de Gooi- en Eemlander. Fonotheek-assistente; dat moest iets met muziek zijn dacht ik en dat leek me wel wat. Drie weken na m’n eindexamen was ik aan het werk en al gauw bleek dat ik voornamelijk platen en geluidsbanden moest opruimen, respectievelijk weer tevoorschijn toveren. De specifieke geur van de Basf-banden kan ik uit duizenden herkennen. Maar wat het werk speciaal maakte waren de collega’s, want die kwamen uit alle delen van de wereld.
Ik had het bij de Wereldomroep zo naar m’n zin dat het van studeren nooit meer is gekomen. Bovendien kreeg mijn carrière een andere wending: ik maakte promotie en werd programma-technicus. Als enige vrouw, met ook nog een volkomen a-technische opleiding, werkte ik tussen alleen maar mannelijke technische collega’s. Gelukkig stonden die mannen mij met raad en daad terzijde. Ik heb weliswaar soms flinke ‘feestschakelingen’ gemaakt, maar er is nooit een opname of uitzending de mist in gegaan.
Achteraf realiseer ik me met welke bijzondere mensen ik in de periode van 1969 t/m 1989 bij de Wereldomroep heb gewerkt. Voor de Nederlandse afdeling werden er ‘praatjes’ opgenomen met bijvoorbeeld Henri Knap, Karel van het Reve, Willem G. (Pim) van Maanen, Piet van Soest, Andries Pot en natuurlijk weerman Jan Pelleboer. Ook de legendarische Guus Weitzel heb ik nog heel even meegemaakt. En dan Peter van Brakel, die met lappen ‘sport-tekst’ altijd een foutloos parcours liep.
Voor mij was de Wereldomroep een boeiend bedrijf: al die nationaliteiten, verschillende talen en verschillende werkwijzen. De ene programmamaker kwam de studio binnen met een volledig uitgetikt draaiboek van 50 pagina’s, terwijl een ander vijf seconden voor tijd kwam binnengerend met meters afgescheurde telexberichten achter zich aan slierend. Maar wat mij vooral heeft aangesproken is de sfeer. Als technicus was je geen verlengstuk van de recorder, maar hoorde je bij het team dat een programma maakte. En daarbij hoort ook de lol die ik heb gehad. De slappe lach tijdens of na de uitzending met onder anderen Loretta Schrijver en Jeroen Pauw. Maar ook de live-verslagen van de treinkaping bij Wijster ( terwijl het gebouw van de WO werd bewaakt door de ME) en de vliegramp bij Tenerife. Nee de Wereldomroep was niet suf en stoffig, zoals soms wel werd gedacht. Zaken als aids en vrouwenbesnijdenis (Veronica Wilson) kwamen bij de Wereldomroep in de zeventiger jaren al aan de orde.
In 1989 nam mijn carrière opnieuw een andere wending en kwam ik als nieuwslezeres aan ‘de andere kant van het glas’ te zitten. Niet bij de Wereldomroep, maar bij de NOS. Eén ding is zeker; mijn ervaringen bij de Wereldomroep zijn daarvoor de grondslag geweest.
‘Merck toch hoe sterck’; hoe vaak zou ik het pauzeteken hebben gestart? Voor mij zijn het de klanken die horen bij de missie van de Wereldomroep: ‘Een bijdrage leveren aan een beter geïnformeerde wereld’. En daarbij hoort ook de korte golf. Deze vorm van communicatie blijft van groot belang voor (de vele) mensen die geen gebruik kunnen maken van de, ook door mij geprezen, digitale media.
Ik wens mijn eerste liefde, ook in afgeslankte vorm, alle goeds toe. Een hartelijke groet van Trudy Mol-Vendrig