Het nationalisme van de nazi's bouwde voort op romantisch-nationalistische stromingen uit de 19de eeuw en de biologische rassentheorieën van Houston Stewart Chamberlain en Joseph Arthur de Gobineau. Het volk werd gezien als een op banden des bloeds gebaseerde mythische eenheid, onverbrekelijk verbonden met het land (Blut und Boden). In het aangebrachte onderscheid tussen hogere en lagere rassen werd het Arische ras als het enige cultuurscheppende beschouwd. De historische zending van Duitsland was het dit ras tot overheersing te brengen. In Der Mythus des 20. Jahrhunderts trachtte Alfred Rosenberg deze ideeën tot een filosofisch systeem te ontwikkelen.
Gebaseerd op een versimpelde uitleg van Darwins Survival of the fittest predikte het nationaal-socialisme een rassenstrijd tussen Übermenschen en Untermenschen, tussen Ariërs en niet-Ariërs, waarvan het ‘joodse ras’ de laagste vertegenwoordiger was. Een fel antisemitisme werd vanaf het begin aangehangen en zou een voorbode blijken van de tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgevoerde uitroeiing van ca. 6 miljoen joden. De invloed van het antisemitisme op het buitenlandse beleid van de nazi's na hun machtsovername in 1933 was evenwel vrij gering, zij het dat buitenlandse vijanden zeer vaak ‘joods’ of ‘verjoodst’ werden genoemd. De buitenlandse politiek van de nazi's richtte zich aanvankelijk op de vereniging van alle Duitsers in één rijk. Later streefde men in bondgenootschap met het ‘Latijnse’ Italië en het ‘Mongoolse’ Japan naar de verdeling van de wereld in levensruimten (zie Lebensraum) en de onderwerping van tot vazalstaten bestemde gebieden.
Een ander centraal punt in het nationaal-socialisme was het leidersprincipe, wat duidelijk tot uitdrukking kwam in de term Der Führer, waarmee het eenhoofdig leiderschap werd geaccentueerd. Lagere besturen werden niet gekozen, maar van bovenaf benoemd. Het nationaal-socialisme nam als symbool het hakenkruis. De partijvlag was een rood veld met, in een witte cirkel, een zwart hakenkruis.
Het nationalisme van de nazi's bouwde voort op romantisch-nationalistische stromingen uit de 19de eeuw en de biologische rassentheorieën van Houston Stewart Chamberlain en Joseph Arthur de Gobineau. Het volk werd gezien als een op banden des bloeds gebaseerde mythische eenheid, onverbrekelijk verbonden met het land (Blut und Boden). In het aangebrachte onderscheid tussen hogere en lagere rassen werd het Arische ras als het enige cultuurscheppende beschouwd. De historische zending van Duitsland was het dit ras tot overheersing te brengen. In Der Mythus des 20. Jahrhunderts trachtte Alfred Rosenberg deze ideeën tot een filosofisch systeem te ontwikkelen.
Gebaseerd op een versimpelde uitleg van Darwins Survival of the fittest predikte het nationaal-socialisme een rassenstrijd tussen Übermenschen en Untermenschen, tussen Ariërs en niet-Ariërs, waarvan het ‘joodse ras’ de laagste vertegenwoordiger was. Een fel antisemitisme werd vanaf het begin aangehangen en zou een voorbode blijken van de tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgevoerde uitroeiing van ca. 6 miljoen joden. De invloed van het antisemitisme op het buitenlandse beleid van de nazi's na hun machtsovername in 1933 was evenwel vrij gering, zij het dat buitenlandse vijanden zeer vaak ‘joods’ of ‘verjoodst’ werden genoemd. De buitenlandse politiek van de nazi's richtte zich aanvankelijk op de vereniging van alle Duitsers in één rijk. Later streefde men in bondgenootschap met het ‘Latijnse’ Italië en het ‘Mongoolse’ Japan naar de verdeling van de wereld in levensruimten (zie Lebensraum) en de onderwerping van tot vazalstaten bestemde gebieden.
Een ander centraal punt in het nationaal-socialisme was het leidersprincipe, wat duidelijk tot uitdrukking kwam in de term Der Führer, waarmee het eenhoofdig leiderschap werd geaccentueerd. Lagere besturen werden niet gekozen, maar van bovenaf benoemd. Het nationaal-socialisme nam als symbool het hakenkruis. De partijvlag was een rood veld met, in een witte cirkel, een zwart hakenkruis.