Ik kwam voor het eerst in aanraking met Nederland toen ik een jaar of acht was. In ons huis in Mauritius schalde het gepassioneerde 'Dans le port d’Amsterdam…' van Jacques Brel.
Ik kon toen natuurlijk niet bevroeden dat ik 26 jaar later in datzelfde Amsterdam, in het stadhuis, het Wilhelmus zou zingen. En dat in een groep mensen met maar liefst 37 verschillende nationaliteiten.
Vandaag word ik Nederlander.
Met bijna klinische precisie opent om drie uur de grote deur van het Stadhuis. Mijn vriend uit Liberia kan het niet nalaten nog even te herinneren aan de uitnodigingsbrief waarin nadrukkelijk werd gesteld dat we op tijd moesten zijn. En dat als we te laat kwamen, we geen Nederlander zouden worden.
Deze ceremonie is de laatste van een lange lijst verplichtingen om Nederlands staatsburger te kunnen worden. De Inburgeringscursus is er ook één. Ik was 32 en moest weer terug naar school, vier dagen in de week, om Nederlands te leren en de Nederlandse cultuuur, geschiedenis en gebruiken. Dat was aan de ene kant frustrerend omdat je je leven even stilzet, maar aan de andere kant bevrijdend omdat je vrienden maakt die je helpen Nederland en de Nederlanders beter te begrijpen.
Het begon allemaal vijf jaar geleden, toen ik verliefd werd op Ellen, nu mijn vrouw. Na menige slapeloze nacht waarin ik me zorgen maakte of het me wel zou lukken om me bij haar te voegen in Nederland, en na heel veel papierwerk kreeg ik uiteindelijk een verblijfsvergunning.
Ik word samen met mijn aanstaande mede-burgers verwelkomd op de rustgevende tonen van oude Nederlandse volksliedjes, gespeeld op een piano. We zien een video met zwart-wit beelden van oud Amsterdam, geprojecteerd op een groot scherm. Er hangt een sfeer van opwinding.
Eén voor één worden we op het podium gevraagd. Daar beloven we plechtig de Nederlandse grondwet te zullen respecteren.
Vergeleken met de verhalen die ik van anderen hoorde, heb ik het niet zo slecht gehad. Slechte leefomstandigeheden in asielzoekerscentra, eindeloze bureaucratie, discriminatie en jarenlange onzekerheid over je toekomst, nadat je je eigen land was uitgevlucht.
Het geluk en de opluchting zijn van sommige gezichten af te lezen. “Je moet geduld hebben in het leven. Als je maar geduld hebt, is alles mogelijk,” zegt Raphael uit Congo-Brazzaville geëmotioneerd. Hij kwam acht jaar geleden naar Nederland als vluchteling.
Nu is het mijn beurt om op het podium te verschijnen. De gastheer maakt wat grapjes en vraagt mij om ‘Ik ben Nederlander geworden’ in mijn moedertaal, het Creools te zeggen. Het is een aardige man, gemeenteambtenaar Adema. In zijn toespraak heeft hij het over hoe belangrijk het is om te integreren en de Nederlandse cultuur te respecteren. Maar hij geeft ons ook mee dat we vooral onszelf moeten blijven en Nederlanders moeten vertellen wie wíj zijn.
Na een warme handdruk en mijn certificaat krijg ik nog een geschenk, een geschiedenisboek. Ik lees over de Gouden Eeuw, waarin Nederlandse koopvaarders de zeeën bezeilden en de rijkdommen verzamelden waarmee het prachtige historische hart van Amsterdam werd gebouwd. Er wordt geen melding gemaakt van de rol die de slavernij daarin speelde. Het verbaast me niet meer. Op de één of andere manier vindt de Afrikaanse ‘bijdrage’ aan al die rijkdom maar steeds geen plek in de boeken.
Op weg naar huis, in de tram, kijk ik naar mijn drie weken oude baby in haar kinderwagen. Zullen we hier ooit voldoende Nederlands zijn?
Ik vraag het me af, als ik denk aan de politici die met elkaar in debat zijn over de vraag hoeveel geld de Nederlandse staat spendeert aan buitenlanders… met een Nederlands paspoort!











