In de ontwikkelingshulp is de afgelopen jaren veel geld verspild. Sommige landen staan er zelfs slechter voor dan vroeger, vooral in Afrika.
Ik denk dat het meeste geld verspild is om drie redenen. Ten eerste werd er te grootschalig gewerkt. Men keek te weinig naar de lokale culturele context waardoor veel projecten niet werden gedragen door de plaatselijke bevolking.
Hulpverslaving
Er werd verder teveel geld uitgedeeld zonder een tegenprestatie te verwachten en dat leidde tot hulpverslaving. Ten derde zijn er miljarden in corrupte zakken verdwenen door de zogenaamde directe begrotingssteun. Nederland en andere westerse overheden (en supranationale organisaties) waren naief genoeg om vele miljoenen direct op de begroting van corrupte landen te storten. Het was politiek incorrect om de besteding ervan te willen controleren. Dat was immers betuttelend?
Inmiddels, vele verspilde miljarden verder, is de stemming omgeslagen. Het grote publiek is hulpmoe. Veel westerse politici willen fors bezuinigen of zelfs stoppen met de hulp.
Hulpmoe
Ik ben het daarmee oneens. We moeten blijven helpen maar het roer moet om. In mijn nieuwe boek Kinderen van Afrika bespreek ik de spectaculaire groei van de particuliere hulpsector. Overheden en grote hulporganisaties hebben steeds minder budget maar de particuliere initiatieven om de derde wereld te helpen, rijzen als paddestoelen uit de grond. Er zijn er volgens onderzoek in Nederland al meer dan 10.000 en ze hebben geld. Vorig jaar ging er ruim 300 miljoen in de sector om.
Particuliere projecten zijn zo succesvol omdat het publiek moe is van de bekende vormen van hulp. Waar gaat mijn geld heen? Wordt het wel goed besteed? We hebben het zelf nodig! zijn veel gehoorde geluiden. Diezelfde mensen lopen nog wel warm als er een direct beroep op ze wordt gedaan door iemand uit de eigen omgeving met een klein, overzichtelijk en direct te begrijpen en te controleren doel. Iemand met een project dat vaak geïnspireerd is door een reis naar het betreffende gebied.
Vissersdorp
Twee jaar geleden zette ik zelf zo’n hulpproject op in een klein vissersdorp in Mali. In mijn boek bespreek ik die eerste twee jaar: ik schrijf over het project, over de mensen van 'mijn' dorp en hun leven, en over de successen, valkuilen en mislukkingen.
Het betreffende vissersdorpje, waar ik al jaren kom, raakte enkele jaren geleden in moeilijkheden. Er werd steeds minder vis gevangen en de vissen werden steeds kleiner. Dat kwam door de vooruitgang: er was een asfaltweg naar de rivier gebouwd en dus stuurden steeds meer handelaren uit de hoofdstad, zeshonderd kilometer verderop, koelwagens naar de streek. Alle vis werd opgekocht en kreeg daarom niet meer de tijd om volwassen te worden en zich te vermenigvuldigen. Een eeuwenoud evenwicht werd verstoord. Nu waren de vissers van Sanouna en hun lotgenoten in de andere dorpjes langs de rivier de laatste kleine visjes aan het opeten en zou de rivier binnenkort zijn leeggevist.
Engelse les
Ik besloot iets te doen. In Nederland mobiliseerde ik vrienden, we richtten een stichting op en startten een hulpproject voor Sanouna. Driemaal per week werd er op onze kosten een gratis maaltijd verstrekt aan de kinderen van het dorp, die pas werd geserveerd na een Engelse les van anderhalf uur.
Engels wordt in Mali weinig onderwezen maar is belangrijk voor de toekomst van de nieuwe generatie. Eerst leren, dan eten, vanuit de gedachte: food for work.
Al tijdens de planning (we lazen vlijtig boeken en artikelen over particuliere projecten en bezochten bijeenkomsten) viel het magische woord 'exitstrategie'. We konden niet voor eeuwig geld blijven geven. Dat werkt hulpverslaving in de hand. We besloten om maximaal vijf jaar geld te blijven sturen. Daarna zou het project zichzelf moeten financieren.
Collectieve moestuin
In het tweede jaar, toen de keuken en de lessen goed draaiden, zetten we daarvoor de eerste stap. We legden op verzoek van de vrouwen van het dorp een grote, collectieve moestuin aan. De aanleg was op onze kosten, daarna zouden de vrouwen het onderhoud zelf financieren. Een deel van hun opbrengst ging in natura naar de keuken van het project en bij iedere oogst moest elke vrouw verder een vast bedrag in de kas van het project storten.
Stap twee was de aanleg van een viskwekerij voor de mannen. Ook op onze kosten, maar met de afspraak dat een deel van de opbrengst naar het project zou gaan. Stap drie was de bouw van twee eenvoudige gastenkamers en een kleine camping. Het dorp ligt vlak bij het beroemde stadje Djenné, waar veel toeristen komen.
Dorpshoofd
Inmiddels zijn we in het derde jaar. Onze kernactiviteit (drie gratis maaltijden en drie Engelse lessen per week voor ruim 50 kinderen) wordt deels gefinancierd door de commerciële activiteiten die we hebben ontwikkeld. Nu nog voor minder dan 50% maar hopelijk wordt dat meer. Voorlopig sturen we nog geld op uit Nederland maar al minder dan in het begin.
Onze boekhouder en tevens onderwijzer, de enige niet-analfabete volwassene van het dorp, houdt toezicht op de inkomsten en uitgaven, maar is er niet verantwoordelijk voor. Dat is het dorpshoofd, die de uitgaves bewaakt en ervoor moet zorgen dat de vrouwen en de vissers daadwerkelijk geld afdragen.
De dorpsgemeenschap is gezamenlijk eigenaar van het project en draagt in die zin de collectieve verantwoordelijkheid voor het feit dat hun kinderen gevoed worden en les krijgen. Zij controleren dus zowel de boekhouder als het dorpshoofd. Wij controleren vanuit Nederland de boekhouding, die elke maand wordt gemaild.
Top-5
Concluderend denk ik dat er een aantal concrete voorwaarden zijn om een particulier project tot een succes te maken. Dit is mijn top 5:
- Lokale behoefte: werk uitsluitend vanuit de behoeftes die de plaatselijke bevolking zelf formuleert;
- Onderzoek: onderzoek vóór het project van start gaat de plaatselijke culturele en sociale context, de reeds aanwezige voorzieningen in de regio en de lokale activiteiten van andere (hulp)organisaties;
- Plaatselijke partner: werk samen met een sterke en transparante plaatselijke partnerorganisatie of zet er zelf een op;
- Evaluatie: evalueer minstens tweemaal per jaar of het project voldoet aan de geformuleerde doelstellingen en wees daarbij kritisch op jezelf en de lokale partners;
- Exitstrategie: streef er vanaf het begin naar om het project binnen een afgesproken termijn financieel zelfvoorzienend te maken, waarna de 'hulpgever' zich terugtrekt en de partnerorganisatie het project zelfstandig overneemt.
Helaas zijn er nog veel particuliere projecten die (deels) mislukken, omdat men niet doordacht en structureel te werk gaat. Als de particuliere hulpsector erin slaagt professioneler te gaan werken, kan zij uitgroeien tot een belangrijke en zinvolle nieuwe vorm van ontwikkelingsamenwerking. Ik heb daar alle vertrouwen in.
















Nieuwe reactie inzenden