(Uit het archief: 31-12-2007)
Met financiële steun uit Nederland heeft een Duitse hulpverleenster onlangs een school geopend op het platteland van noord-Afghanistan. Een gymnasium wel te verstaan. Zodat ook plattelandskinderen de kans krijgen naar de universiteit te gaan. Tot voor kort ondenkbaar in deze provincie en in dit land, een van de armste ter wereld. Maar dr. Sybille Schnehage bewijst dat niets onmogelijk is. Ook met de lokale Taliban doet ze zaken.
Twintig scholen waaronder een gymnasium, 770 waterbronnen, 60 kilometer aan wegen en bruggen, een uitkering voor 300 weduwen en de bouw van 170 (lemen) huizen. Dat zijn een paar van de humanitaire wapenfeiten van een opmerkelijke Duitse vrouw die al sinds 1994 hulp verleent aan de plattelandsbevolking in de noord-Afghaanse provincie Kunduz.
Minderheid
Dr. Sybille Schnehage is de spil in een kleine particuliere hulporganisatie: de vereniging Katachel, vernoemd naar een plaatsje in Kunduz. In het gebied woont een minderheid van Pashtun (Pathanen), dezelfde bevolkingsgroep die in zuid-Afghanistan inclusief Uruzgan de meerderheid vormt en waaruit ook de Taliban-beweging is ontsproten.
Harten veroverd
Toen ze hier in 1994 begon woedde er nog een allesvernietigende burgeroorlog tussen de krijgsheren, en de hulpverlening begon met de bouw van zeventig woningen voor mensen die door de oorlog hun huis waren kwijtgeraakt. Ze veroverde met haar werk de harten van de plaatselijke bevolking. En die positie raakte ze niet kwijt toen de Taliban in 1996 aan de macht kwamen. Sterker nog: in 'haar' dorp mochten van de Taliban 'haar' meisjes gewoon naar school. En dat gold niet alleen voor de plaatselijke Taliban, ook de leiding in de zuidelijke stad Kandahar had het groene licht gegeven: "Ook ten tijde van het Taliban-bewind had ik een brief uit Kandahar in Zuid-Afghanistan waarin stond dat mijn meisjes naar school mochten. De hele tijd zaten de meisjes op school, ik had zelfs twee meisjesscholen."
Normen en waarden
In de loop der jaren heeft dr. Sybille Schnehage de Pashtun en de Taliban goed leren kennen - beter wellicht dan welke andere buitenlandse hulpverlener in Afghanistan ook. Ze spreekt de taal en kent de Pashtunwali, het eeuwenoude stelsel van normen en waarden van de Pashtun. Ze is zó ingeburgerd dat de bevolking haar met ‘Moeder’ aanspreekt en het haar vrij staat de kleding te dragen die ze wil. Over het onderwijs aan meisjes ten tijde van het Talibanbewind zegt ze: "De Taliban zijn bang dat er iets met hun meisjes gebeurt. De Afghanen zijn zeer angstige en wantrouwende mensen. Maar wanneer je hun vertrouwen hebt, als ze echt weten dat het een fatsoenlijke school is waar hun meisjes veilig zijn, dan mógen de meisjes ook naar school. Je moet alleen eerst hun vertrouwen winnen, en als het ware laten zien dat je bij de Pashtunwali-familie hoort. Dan is het geen probleem meer"
Mens-Erger-je-Niet
Wanneer dr. Schnehage een nieuw project opstart moet er eerst met alle betrokken partijen worden gepraat - meestal ook met de plaatselijke Taliban. Die gesprekken duren een week of twee, en tussen de bedrijven door is er ruimte voor ontspanning. Een beetje grappen maken, wat eten, of een spelletje spelen, vertelde ze tegenover de Wereldomroep. Zo zal ze een van de weinige buitenlanders in Afghanistan zijn die Mens-Erger-je-Niet heeft gespeeld met Talibanvertegenwoordigers - ze had het in Nederland en Duitsland populaire spel meegenomen.
NGO's als schakel
Overigens maakt Sybille Schnehage zelf een strikt onderscheid tussen de Taliban en al-Qaeda. Met die eerste valt te praten, met al-Qaeda niet. Ze vindt dat particuliere hulporganisaties (in vakjargon: non-gouvernementele organisaties, NGO's) een schakel zouden moeten vormen tussen de partijen. Zelf doet ze zaken met plaatselijke en provinciale bestuurders, de (nu ondergrondse) Taliban en de Duitse NAVO-troepen in de provincie. Een Taliban-commandant zou zelf nooit met de Duitse troepen praten, zegt ze, maar met een NGO als de hare wél.
Hoogste onderscheiding
Het werk van dr. Schnehage wordt in Afghanistan zelf door alle partijen geroemd. Ze heeft een eredoctoraat gekregen van de universiteit van Kabul en kreeg in 2006 de Malalai-medaille, de hoogste Afghaanse staatsonderscheiding voor vrouwen, vernoemd naar een mythische jonge vrouw die eind 19e eeuw tijdens de strijd tegen de Britten de eigen troepen aanspoorde. Maar ze blijft er bescheiden onder: na de gymnasiumafdeling van een school in Katachel in 2007 staat er voor 2008 weer een nieuw project op stapel, ook ditmaal met financiële steun van Nederland: een lagere school elders in de provincie.
Link
Katachel e.V.


















Nieuwe reactie inzenden