Recensie - Met zes verhalenbundels, een novelle en een roman in twintig jaar kun je F. (Frits) B. Hotz geen veelschrijver noemen. Dat compacte oeuvre werd tot nog toe vooral gewaardeerd door een kleine schare van fijnproevers, onder wie veel collega’s. Een vuistdikke biografie en een verzamelbundel van zijn verhalen kunnen daar –terecht- verandering in brengen.
Titels als 'Dood weermiddel' en 'Ernstvuurwerk' klinken niet vreemd, net zoals de bebrilde man van middelbare leeftijd op de achterflap iets bekends heeft. Toch kwam ik pas tot lezen van zijn verhalen op dezelfde leeftijd waarop Hotz in 1974 debuteerde (52).
Karige schrijfstijl
Beter laat dan nooit, want het zijn boeiende verhalen – hoewel er vaak maar weinig in gebeurt. De aantrekkingskracht zit in Hotz’ fenomenale oog voor detail en zijn karige schrijfstijl, waarin elk woord op de goede plaats staat.
Dat geeft zijn vertellingen kracht; of die nu gaan over slechte huwelijken, (op eigen ervaringen gestoelde) inkijkjes in de jaren twintig – zijn favoriete decade -, vertellingen over muzikanten of dagelijkse belevenissen van enigszins sneue mannen of jongens.
Nergens wordt het immer aanwezig schuldbesef of de drang tot boetedoening huilerig. De observaties leiden vaak eerder tot een glimlach, hoe weinig de inhoud daar ook aanleiding toe geeft; neem het begin van het verhaal ‘de Gladiator’, waarin een jongeman zijn oorlogsbelevenissen vertelt.
'De enige heldendaad die ik in de bezettingstijd ooit verrichtte, was het horen voorlezen van een ‘illegaal’ blad. Als ik me goed herinner ben ik verder voornamelijk bang geweest of, wat erger is, ongeïnteresseerd.'
Biografie
Bij de publicatie van zijn eerste verhaal in 1974, 'De tramrace' (in het inmiddels opgeheven literaire tijdschrift Maatstaf), leek het of de auteur uit de lucht kwam vallen. Niets is minder waar, blijkt uit de biografie 'Geluk kun je alleen schilderen. F.B. Hotz – Het leven' van Aleid Truijens.
Hotz begon al vroeg met schrijven, maar tot halverwege de jaren zestig was hij – naast zijn werk voor de blindenbibliotheek- vooral bezig met zijn trombone en de jazzmuziek. Hij bewonderde muzikant en orkestleider Paul Whiteman en was levenslang liefhebber van de jazzstroming ‘oud blank’.
Monikkenwerk
Truijens verrichtte monnikenwerk voor deze biografie. Op verzoek van de auteur had zijn zus Atie, met wie hij het grootste deel van zijn leven samenwoonde, na zijn dood al zijn papieren vernietigd. Tijdens zijn leven meed Hotz de publiciteit, dus veel was er niet over hem bekend.
Interviews waren een straf voor hem – hij gaf ze mondjesmaat – en hij hield ook niet van grote bijeenkomsten – de P.C. Hooftprijs werd hem in 1998 in huiselijke kring uitgereikt. Dat hij daarmee zijn imago van een mysterieus en teruggetrokken man versterkte, kwam hem goed uit.
Familiegeheim
Dat hij geen saaie man was, kreeg Truijens te horen in gespreken met familieleden (onder wie zus en zoon van Hotz), vrienden, muzikanten met wie hij optrad en platen opnam, en veel bronnen in de literaire wereld, zoals Maarten ’t Hart en zijn eerste uitgever Theo Sontrop.
De biografe maakt aannemelijk dat Hotz meerdere redenen had om op zichzelf te zijn: van jongsaf aan zag hij slecht en zijn gezondheid hield ook niet over. Op latere leeftijd kwam daar de vrees bij, dat buitenstaanders het gruwelijke familiegeheim zouden ontdekken: Hotz ex-vrouw vermoordde zijn goeie vriend, met wie ze was gaan samenwonen.
Waarschuwing
De biografie - hoe interessant ook - had wel wat korter gekund: Truijens citeert erg vaak uit de vele gesprekken met details die niet altijd de grote lijn dienen. Verder leunt ze zwaar op verhalenbundel (die ze zelf samenstelde), waaruit ze veel fragmenten weergeeft die haar beschrijving moeten ondersteunen.
Daarom is een waarschuwing op zijn plaats: lees zowel de onderhoudende biografie (met veel informatie over de Nederlandse jazzwereld) als de uitstekende verhalen (ouderwets taalgebruik hier en daar ten spijt), maar doe het niet tegelijkertijd of kort na elkaar.
























Nieuwe reactie inzenden