Expats in fictie
In de 2011 Expats-in-fictie-competitie werden lezers uitgenodigd een verhaal met een expat in de hoofdrol te schrijven.
'Hoe eenzaam kun je zijn?' vroeg Jan zich af, terwijl hij een gevuld glas van een passerend dienblad plukte. Ondertussen spiedde hij rond op zoek naar bekende gezichten in de dansende en drinkende menigte.
De locatie was goed; een bruisend hotel aan de Italiaanse westkust ten zuiden van de havenstad Livorno. Stampende house, zwembad links, de in het donker oplichtende zee rechts. Hij was hier op uitnodiging van één van zijn klanten. Een vooraanstaand stylingbureau uit het alternatieve deel van Rotterdam: Design & Retail.
Het was wel prettig het benauwde en overvolle Milaan te ontvluchten, even naar de kust, wat frisse lucht opsnuiven. Weg wilde hij, naar buiten. En je weet nooit wie je tegenkomt had hij erbij gedacht. Niet dat dat vaak gebeurde, hij was niet zo goed met vrouwen. Te schuchter, onzeker over zichzelf. Ook hier temidden van veel welwillende Italiaanse schonen had hij geen contact. 'Lekkere wijven', zoals Jan zei, expres een beetje plat om zich ruiger voor te doen. Hij had nog niemand van Design & Retail gezien, zelfs de kekke toegangskaart in de vorm van een gouden creditcard was niet gecheckt.
De lichten in het zwembad floepten aan, een zuil van licht scheen langs de gevel met de hangende balkons. Het roerloze water, de zacht glooiende lijnen waarlangs snelle lijnen van licht schoten, het leek een pas geland ruimtevoertuig. De slanke silhouetten van de cipressen stonden zwart in de nachtelijke hemel, waarin een nerveuze laser rondscheen. Een nieuwe deejay nam het over en een gekmakende trance galmde rond.
Voorzichtig wurmde Jan zich door de dampende massa. Zweet, Chanel 5, Pisang Ambon, wiet en andere geuren kwamen langs, verdreven de zilte geur van de zee. Botste tegen hoekende ellebogen en zachte lijven. Dansende borsten en zwartbehaarde Italiaanse mannenarmen. Aan de overkant zag hij meiden dansen, hun witte bikini's lichtten op in het blacklight.
Alles was er: drank, seks, pillen, coke. Jan beperkte zich tot drank. Gulzig slokte hij het witte drankje binnen en stak nog een Bastos op, een erfenis uit zijn Amsterdams verleden. In het artistieke wereldje waar hij toen verkeerde rookte iedereen dat.
Hij klom de brede witmarmeren trap op, leunde over de balustrade en overzag de dansende massa. Ook hier was hij de outsider, net als thuis. Eenzaam tussen zoveel mensen. Keek door de zoeker van zijn Canon, maakte twee shots met verschillende sluitersnelheden. De Canon en hij, onafscheidelijk. Altijd op zoek naar 'het moment', zoals hij het noemde.
Pure hobby, deed er niets mee. Sloeg ze op in zijn pc. De camera was ook vaak zijn redding, houding, afstand. Tussen de omhooggevallen moderedacteurs en nichterige ontwerpers voelde hij zich niet thuis. Het was zijn lot, hij was tot hen veroordeeld. Heel zijn netwerk was eromheen opgebouwd. O, hij kon heel goed toneelspelen als hij wilde. Een nieuwe opdracht binnen slepen. Met de handen in de zakken advies geven à raison van…, terwijl de meter doortikt.
Dat was ooit. Nu teerde hij op oude contacten. Die nog in hem geloofden. Hij deed zijn best om bij te blijven. Nieuwe trends tijdig op te pikken. Om nog de indruk te wekken dat, hoewel hij wist dat het afgelopen was. Steeds minder kansen, klussen zoals hij het noemde, waren zijn kant opgekomen. Zijn inkomsten waren drastisch geslonken. In Milaan hoopte hij verse ideeën te krijgen.
Tegelijkertijd weg van zijn vrouw, ook nadenken over haar, de toekomst. Samen nog of alleen verder? Al jaren waren ze samen. Ze vormden een hecht duo. Kinderen hadden ze niet. Jan wilde pertinent geen kinderen. Kon de verantwoording niet aan, zoals hij altijd zei. Hij wist dat hij Yvette daar verdriet mee deed, al te vaak had ze er op aangedrongen. Hij had haar als het ware gechanteerd: 'Denk er goed aan, als je zwanger wordt, dan ben ik weg!'
Nu was hij op een leeftijd waar hij aan alles twijfelde. Had hij er goed aangedaan geen kinderen te willen? Had hij Yvette gelukkig gemaakt. Was het nu echt zo erg geweest. Het was meer zijn eigen dwarsigheid. Altijd tegen. Uit principe: Nee! De eerste jaren waren ze gewoon samen geweest. Totdat Yvette de druk opvoerde, ze wilde trouwen. Jan wilde er niet van weten. Dat burgertruttengedoe. Een jurk, die ringen. Al dat belachelijke gedoe van corsages, een receptie. Hij had uiteindelijk toegestemd. Hij had zichzelf weggecijferd en alles over zich laten heenkomen. Voor de gelegenheid nieuwe kleren gekocht, geen pak, dat niet; nooit! Hij had geen ring gewild, maar ook hier was hij gezwicht. Oké, maar dan een heel dunne eenvoudige gouden ring. Geen toeters en bellen. Hij dacht, die doe ik meteen na de trouwdag uit. Maar hij was blijven zitten, die ring en nu droeg hij hem nog. Toch een soort eerbetoon, een teken van trouw aan zijn Yvette. Hij keek er naar en dacht aan haar.
Hier stond hij, snaaide nog een drankje van een dienblad. De muziek die heel hard was, kwam slechts zacht bij hem binnen. Hij was ver weg, de drank vernauwde zijn gedachten. Hij keek naar zijn ring, naar zijn hand die het glas omklemde. De drank die razendsnel de kleur van de lichteffecten aannam.
'Hier moet ik iets mee doen,' dacht hij. 'Met deze toestand, ik ben hier en tegelijk ver weg. Niet aanwezig, met en zonder Yvette.'
Want ook daarvoor was hij weggegaan. Wie weet kwam hij nog tot schrijven. Aan het manuscript waar hij stiekem al maanden aan werkte, 's nachts. Soms lukte het, ramde hij, roffelend op de toetsen een paar pagina's uit. Vaker echter zat hij starend achter het scherm, kwam er niks. Dan las en herlas hij wat eerder geschreven passages of rommelde hij met de volgorde van hoofdstukken. Het was een droom, ooit een boek te schrijven. Geschreven te hebben. Een schrijver te zijn.
Wanneer ben je schrijver. Al na één boek? Na je debuut, kun je je dan schrijver noemen? Het ging hem niet om het geld. Nee. Je eigen boek in de kast te hebben. Gedrukt. Al zoveel zaken had hij verwezenlijkt, artikelen in tijdschriften, foto’s in galerieën. Het was allemaal tijdelijk, een boek, dat blijft.
Lang geleden, op een ferry naar Engeland. Voor de zoveelste keer was hij op weg, nergens heen. Zomaar, weg! Rusteloos. Hij stond ’s nachts op het achterdek te kijken hoe de lichtjes van de Belgische kust verdwenen en raakte in gesprek met een andere passagier. In het donker, hij kon de man amper zien. De rook uit de zwarte schoorsteen sloeg neer op het achterdek. Vermengde zich met de geur van het zware sjekkie van die ander.
'I am a writer,' had die ander hem gezegd. Wow! Dat hakte erin bij hem. Of het nu waar was of niet, vanaf die tijd had het idee bij hem post gevat, ooit wilde hij een boek schrijven.
Nu, nu moest het gebeuren. Nu had hij de tijd. Hij was alleen, hij was vrij. Los in zijn gedachten. Hier stond hij, op een feest, groots en wild. Niemand kende hem. Hij kon opnieuw beginnen, een ander zijn. Weg met die geremdheid. De muziek veranderde, een snellere beat en hij schrok op. Werd wakker als het ware.
Hij keek om zich heen naar de vrolijk deinende menigte. Rook de zoute zeelucht en nam nog een mooie cocktail. Tot zijn verrassing bevond hij zich opeens weer beneden op de dansvloer. Langzaam kregen de drank en de hallucinerende muziek hem in de greep. Hij merkte het en ook dat hij bewoog, danste, fel. Een meisje lachte haar tanden bloot. Een meisje met halflang witblond haar en een jurkje in dezelfde kleur, met spaghettibandjes. Haar borstjes priemden door de dunne stof.
Gerard den Toonder zegt zelf niet 'echt expat te zijn' maar heeft een aantal jaren in Brussel, Schotland en Turkije gewerkt. Hij woont nu in Dordrecht. Gerard schrijft vooral verhalen over zijn bergsportavonturen. In 2010 verscheen zijn boek 'Cowboy in Nepal', een verzameling bergverhalen.























Schrijfambities moet je koesteren, maar een cursus schrijfvaardigheid kan geen kwaad, denk ik.
Bij 'welwillende Italiaanse schonen' wilde ik al afhaken.
Nieuwe reactie inzenden