Expats in fictie
In de 2011 Expats-in-fictie-competitie werden lezers uitgenodigd een verhaal met een expat in de hoofdrol te schrijven.
Ze glimlacht zo mooi. Een stralende lach en hoewel haar tanden niet perfect wit zijn, lijken ze dat wel door de donkere kleur van haar huid. Ze slaat haar hand voor haar mond en giechelt verlegen. Ik sta er wat onhandig bij maar ze vindt het leuk dat ik met haar praat. Iris maakt schoon op school en als ik behoedzaam door de pas gedweilde gang wil lopen, raken we aan de praat. Mijn Spaans is nog niet zo goed, ik moet nog veel oefenen. Wat leuk dat ze zwanger is, haar eerste kindje. Mijn dochtertje, net vier jaar, staat geduldig met haar handje in mijn hand en kijkt omhoog naar de mooie jonge stralende vrouw.
Ik moet nog erg wennen aan dit nieuwe land. Wennen aan het concept 'expat-zijn', aan het nieuwe klimaat en aan de nieuwe klanken van een nieuwe taal. Ik lijd aan een dubbele cultuurshock: ik ben niet alleen verhuisd naar de Dominicaanse Republiek, ik ben daardoor ineens een omhooggevallen expat. Voor het eerst word ik met echte armoede geconfronteerd.
Iris begint steeds meer uit te dijen. Hoe verder de maanden kruipen, hoe groter haar buik, hoe meer ze gaat stralen en hoe beter mijn Spaans wordt. Als Iris bijna 9 maanden zwanger is, organiseren docenten een 'baby shower' voor haar. Ik ken dat concept nog niet en ik snap, vanuit mijn Nederlandse nuchterheid, niet zo goed waarom je het lot zo zal tarten door vooraf de geboorte van het kind te vieren. Iris is straatarm. Haar man werkt als 'vigilante' bij een bewakingsbedrijf, zij werkt als schoonmaakster in een peperdure Amerikaanse privéschool. Haar moeder woont bij haar in en naast haar woont haar blinde tante voor wie ze ook zorgt. Aan haar broers heeft ze niets; die feesten en drinken, dansen met andere vrouwen de merengue of spelen domino bij de colmado (dorpswinkeltje). Haar vader liep weg toen ze een baby was. Dat schijnt in de Dominicaanse Republiek normaal te zijn. Ik vind het lief dat de docenten voor haar dit feest organiseren, ze zullen haar overladen met luxe cadeaus.
Als ik de volgende dag op school kom, hoor ik afschuwelijk nieuws; Iris is tijdens haar feest onwel geworden, heeft haar vruchtwater verloren en is door haar familie naar een lokaal ziekenhuisje gebracht. Haar baby is dood geboren. De jonge Amerikaanse aardrijkskundejuf met wie ik bevriend ben geraakt, huilt als ze me het verhaal vertelt.
Twee dagen later zit ik met de juf in mijn auto. We hebben geen adres, maar weten wel ongeveer de naam van het dorp. We rijden over de Avenida Luperon de stad uit. Het krioelt er van de mensen. Fruitstalletjes staan opgesteld op een groot verkeersplein, het verkeer loopt vast, iedereen gebaart naar elkaar. Brommers, vaak met drie passagiers, laveren gevaarlijk door het verkeer, iedereen toetert en overal hangen armen uit de auto’s. De stoplichten zijn ook al kapot. Ze knipperen niet eens. Op het drukke kruispunt tikken bedelaars en straatventers tegen mijn autoraam.
De stad is vies en ongeorganiseerd en ik vraag me af of ik daar ooit aan kan wennen. Ik word gesneden door een 'publico' (taxi) en ik moet daarna vol in de remmen als hij voor me tot stilstand komt om passagiers in en uit te laten. Als we eindelijk de drukte van de stad verlaten hebben, wordt de stilte met een gesprek tussen ons opgevuld.
Een kilometer of 30 buiten de stad moeten we in een dorp van de weg af, maar het is niet goed (of liever gezegd, helemaal niet) aangegeven. Mijn vriendin kijkt op het papiertje waarop Iris een kaartje heeft getekend. 'Hier staat het reclamebord van Brugal, het klopt, hier moet je rechts.'
'Wat zei ze nou? Doorrijden tot de colmado en dan van de dorpsweg af het modderpaadje op.' We rijden het dorp in. Kippen lopen los, kleuters op blote voetjes en zonder broekjes lopen rond. Twee jongetjes spelen met een zelfgemaakt houten autootje en ik herken de wielen; bierdoppen van het plaatselijke Presidente bier. Ze staren naar de grote auto die ineens het dorp inkomt. De meeste bewoners zitten voor hun huisje of hutje en af en toe bereikt ons een heerlijke kooklucht van de lokale 'arroz con habichuelas' (rijst met bonen). Hier en daar horen we keiharde muziek en bij de colmado hangen 6 mannen om een groepje dominospelende dorpsbewoners heen. Ze drinken bier en Brugal, de lokale rum, het is pas 11 uur in de ochtend...
'La Familia Rico?' vraag ik aan de mannen en ik realiseer me dat die naam onder de huidige omstandigheden wat slecht gekozen is. Ze wijzen naar een straat iets verder op en geven me aanwijzingen. Een van de mannen knipoogt naar me. Ik bedank en stap weer in. 'En jij verstaat dat allemaal?' vraagt mijn vriendin. 'I sure hope so!' anders zijn we hopeloos verdwaald... De heren bij de colmado staren ons na als we doorrijden.
Iris wist dat we haar kwamen opzoeken en staat al te wachten. Zodra ze ons ziet, begint ze te huilen. We begroeten haar met een omhelzing en houden haar handen extra lang vast. Ze heeft een mooie jurk aan maar hij wappert om haar lege buik. Haar piepkleine huisje lijkt aangeveegd en de kippen lopen binnen rond. Het is warm en klam en we blijven buiten. We weten niet zo goed wat we kunnen zeggen en nemen plaats in de schommelstoelen. Ze is terneergeslagen en verdrietig en ik ben opgelucht te zien dat ze niet haar best doet om dat te verbergen.
De taalbarrière tussen ons is groot, maar het lukt Iris om haar verhaal te vertellen en het lukt mij om er het meeste van te verstaan. Over de plotselinge weeën, haar vruchtwater en hoe ze in het ziekenhuis kwam. Ze vertelt dat haar baby heel snel geboren werd en dat de dokter haar vertelde dat haar kind gestorven was.
'Ik wilde mijn kind zien, even vasthouden', huilt Iris, 'maar de zuster liet dat niet toe en haalde de baby onmiddellijk weg. 'Heb je je baby dan helemaal niet gezien?' wil ik weten. Ze schudt haar hoofd, 'nee, ik heb geen idee hoe ze eruit zag, ze namen haar meteen mee.'
Het was een meisje dus. Ze gaat verder, wij luisteren. Meer kunnen we niet doen. De limonade in mijn glas is lauw geworden en de vliegen zwermen om ons heen. 'Toen kwam mijn man', ging ze verder. 'En die wilde ons kind ook zien om, net als ik, afscheid te nemen.' We knikken beiden instemmend. 'Maar de zuster verbood het. Ze maakte er zo’n punt van. Ik snapte het niet.' Iris kijkt me zoekend naar een antwoord aan.
Een onheilspellende gedachte bekruipt me plots. Oh, mijn God, dit kan niet waar zijn... Ik zie in een flits een recent krantenartikel voor me. Haïti, Amerika, illegale adoptiebureaus, lokale ziekenhuisjes, corrupte artsen... Mijn hart klopt in mijn keel en de gedachte blijft bij me steken. De krant ligt nu bij het oud papier. Ik durf Iris niet meer aan te kijken.
'Mijn man is heel boos geworden, die is naar het mortuarium gegaan en heeft geëist dat hij de baby mocht zien', vervolgt Iris. 'Maar de baby was er niet.' Iris kijkt ons met grote volle ogen aan.'De baby was er niet?' herhaalt ze, maar nu meer als vraag. 'En niemand wist waar ze was', zegt ze tot slot waarna een lange eindeloze stilte valt. Ze buigt haar hoofd en vouwt haar handen in een machteloos gebaar open. Ze zwijgt. 'De dokter zegt dat we over een paar maanden weer een nieuw kindje mogen maken', verbreekt ze de stilte. Ze glimlacht flauwtjes en we kijken haar een beetje glazig aan.
Als we een half uurtje later weggaan, hebben we alles gehoord en is alles gezegd. Iris waardeerde ons bezoek. Ik hield haar handen weer lang vast. 'Que Dios darte mucha suerte (dat God je veel kracht geeft)', zei ik, daar had ik op geoefend. Ze glimlachte lief.
Zwijgend rijden we terug. Allebei verzonken in onze eigen gedachte. 'Je denkt toch niet dat...' maar mijn vriendin kon haar zin niet afmaken. 'Ja, dat denk ik verdomme wel!' schreeuw ik uit en ik sla met mijn hand op mijn stuur. 'Jij hebt er dus ook van gehoord...' ze staart uit haar raampje, haar kaakspieren trekken strak. 'Wat kunnen we...'
'Niets! Helemaal niets! Waar moet je beginnen in zo’n godvergeten corrupt land?', zucht ik en ik moet plots uitwijken voor een brommer die met een doodswens tegen het verkeer in rijdt.
Ik voel me machteloos, een ongenode gast in een puinhoop. Mijn normaal altijd gezonde rechtvaardigheidsgevoel verdampt in moedeloosheid. 'Dan kan ik nog maar een ding hopen', zucht ik, 'dat Iris voor altijd zal blijven geloven dat haar kind dood is...'
En verder hoop ik dat ik niet te veel afstomp in dit land...
Mary Broekhuijsen vertrok in 2001 naar het buitenland. Ze woonde in de Dominicaanse Republiek, Canada en tot de zomer van 2011 in Bahrein. Onlangs keerde ze met haar gezin (uit het Midden-Oosten, over land) terug naar Nederland. Mary schreef twee boeken over borstvoeding en blogt al jaren over het leven met haar gezin in het buitenland.























Van harte gefeliciteerd Mary! Ik vond het leuk om mee te doen en om genomineerd te worden. Katja Pronk
Verbijsterend als dit waar gebeurd is. Ik stem voor je!!
De moraal van dit verhaal? Geef geen babyshowers, zo tart je het lot niet.....
In reactie op sommige reacties: de werkelijkheid is altijd gruwelijker dan fictie.
Als je je leven leeft zoals Mary dat doet, dan zijn dit soort indrukwekkende ervaringen die je van nabij in het gastland opdoet, van grote waarde. Net zoals het verhaal zelf.
In hoeverre is het fictie? Ben je ervan ovetuigd dat zulke dingen daar echt gebeuren? Heb je weleens iets dergelijks van dichterbij meegemaakt? Want alleen maar fantasie kan het toch niet zijn! al zijn de personen en omstandigheden gefingeerd, Iets zal je toch wel uit de werkelijkheid hebben gehaald? Of probeer je het land in discrediet te brengen?
Kippevel. Mijn complimenten
Ik wist niet dat het fictie was, las het dus als waar gebeurd. Heel erg goed geschreven. Ik was vreemd genoeg eerst teleurgesteld toen ik na lezing ontdekte dat het fictie was, maar daarna opgelucht.
Een heel verdrietig verhaal maar heel mooi geschreven. Zie je nou wel ik zei toch dat je het kon en nou maar hopen dat hij wint. Mijn stem heb je!
Wat een ontroerend en tegelijkertijd schokkend verhaal.
Nieuwe reactie inzenden