Expats in fictie
In de 2011 Expats-in-fictie-competitie werden lezers uitgenodigd een verhaal met een expat in de hoofdrol te schrijven.
'Eindelijk hebben we je gevonden', snikte de moeder en ze sloot haar zoon in haar armen, terwijl de vader er wat stuntelig bij stond. 'We zijn zo ongerust geweest. Is alles goed, m’n jongen? Heeft deze vreselijke vrouw je geen kwaad gedaan? Je gaat meteen mee naar huis.'
Even dacht de zoon dat hij zijn vader 'Hoer' hoorde mompelen, maar hij was te verbouwereerd om te reageren.
Na bijna een jaar hadden de ouders ontdekt dat hun zoon in een klein dorp vlak bij Marseille zat. Ze hadden het gehoord van een verre vriend van een familielid die een wandeltocht door Zuid-Europa maakte. Deze man had op een verjaardagsfeest het verhaal gehoord van het ouderpaar wiens zoon een opleiding tot boekhouder deed en tijdens de zomervakantie was gaan liften naar de Franse zuidkust. Daarna waren ze hem maanden kwijt.
De zoon deed nog een zwakke poging tot verzet. 'Ik wil het zelf, ik houd van haar.'
'Je bent in de war, je kunt niet houden van zo iemand, dat is ons soort mensen niet.'
Een magere, donkere jonge vrouw met de grote neus stond erbij en keek, maar ze deed niets en ze zei niets, alsof ze duidelijk wilde maken dat iedereen zijn eigen keuzes maakte.
'Dat gemiste studiejaar is niet erg, je kunt er wat ons betreft een jaar langer over doen', hoorde de zoon zijn vader nu duidelijk zeggen. 'Kom mee jongen, we praten er niet meer over.'
Zoals het altijd gegaan was, ging het ook nu.
De zoon ging mee en keek niet meer om. Durfde hij niet of wist hij zo ook wel hoe ze daar stond, in de deuropening, op haar hoge hakken?
***
Ze was ouder geworden, maar ze was het, onmiskenbaar. Hij zag het aan de manier waarop ze tegen de deurpost leunde, aan hoe ze met een snel gebaar het haar dat voor haar ogen hing naar achteren streek en vooral aan de scherpe, prominent aanwezige zuidelijke neus.
Ze was mooier nog dan vroeger, vond hij, wat voller rond de heupen, niet meer zo mager in haar gezicht. Die grijze strepen in haar zwarte haar stonden haar goed.
Opeens realiseerde hij zich wat zíj zag. Een man van middelbare leeftijd met een beginnend buikje en iets te weinig blond haar die stond te turen in de hete middagzon, op de glanzende keien van het steil omhooglopende straatje. Zijn rug een beetje gebogen, het gevolg van jarenlang cijferen, eerst in dikke ordners, later op het scherm van de pc. Zijn grijze kantoorpak paste niet in de omgeving. Zijn weekendtas was ouderwets en de zwarte paraplu – je weet maar nooit – had hij natuurlijk beter niet mee kunnen nemen.
Toen maakte haar gestalte zich los van het huis en kwam naar hem toe rennen.
'Mon Hollandais, mon Hollandais!' Ze pakte hem bij zijn schouders en kuste hem op beide wangen. 'Jaquì', stamelde hij, 'hier ben ik.'
Jaqueline heette ze, maar dat vond ze te lang en te mooi. 'Ze noemen me hier Jaquì', had ze gezegd. 'Denk maar aan die pauvre madame Kennedy, maar dan met het accent op de ì, net als bij chacun, ik zou tenslotte iedereen kunnen zijn.'
Hij herinnerde zich haar lach, die diepe lach die zo goed bij haar zwarte haar paste. Ze nam hem mee naar binnen, pakte zijn tas en paraplu aan en wees hem een stoel. Met een zwaai veegde ze de vette resten en de schalen naar een hoek van de tafel, haalde een lap over de vrijgekomen ruimte en bracht hem een glas wijn met een homp van het donkere brood waar hij vroeger zo van gehouden had.
'Heb je een goede reis gehad? ' vroeg ze, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat hij op een donderdagmiddag in augustus haar leven weer binnenstapte.
'Heel goed, merci', zei hij. Hij zette zijn bril af en begon te huilen.
Ze liet hem. Toen hij wat bedaard was, zag hij dat ze verder was gegaan met haar werk, garnalen pellen.
Hij zette zijn bril weer op en begon te sorteren op grootte en kwaliteit. Zijn nauwkeurigheid kwam hem daarbij goed van pas. Haar snelle vingers deden de rest en binnen de kortste keren was de tafel leeg en stonden de gevulde doosjes netjes opgestapeld in een keukenkastje.
'Garnalen pellen is eigenlijk net zoiets als boekhouden', dacht hij. Nu begreep hij wat teamwork inhield, iets heel anders dan wat die jonge organisatieadviseurs op kantoor hem verteld hadden.
Zoals hij 's middags bij haar aan tafel was aangeschoven, zo schoof hij 's nachts bij haar in het smalle bed. Na zoveel jaar was het wennen, maar Jaquì's bedreven vingers verrichtten ook nu wonderen.
'Het gevoel is er nog, ik heb me niet vergist', dacht hij en vlak voordat hij insliep hoorde hij haar nog zuchten
'Mon Hollandais…'
Dagen werden weken, weken werden maanden. Overdag werkten ze en 's avonds wandelden ze hand in hand naar de zee. Daar zaten ze op hun vaste plekje te kijken naar de vissers die hun boten en netten in orde maakten om 's nachts uit te varen. Het gefluister en gegiechel van de dorpelingen was na een tijdje verstomd, ze werden met een soort eerbied gegroet.
'Bonsoir, Jaquì, Bonsoir, monsieur.'
Inmiddels hadden ze heel wat afgepraat, het dikke Franse woordenboek uit zijn weekendtas tussen hen in op tafel. Vet was het geworden van het veelvuldig gebruik door hun garnalenvingers. Maar meestal verstonden ze elkaar ook zonder het woordenboek wel. Soms vroeg hij zich af hoe zijn leven verlopen zou zijn als hij haar 'Au revoir, mon Hollandais' van dertig jaar geleden wat minder letterlijk genomen had…
***
Toen hij niet terugkwam, waren zijn collega’s aanvankelijk verbaasd geweest, later bezorgd en nog later geërgerd. Ze waren om informatie naar zijn hospita gegaan. Die had er evenmin iets van begrepen, haar etage stond te huur, dus als ze iemand wisten...
'Stille wateren', zei een van de collega’s toen ze weer achter hun computer zaten en daarmee was de zaak afgedaan.
Olga Schoonheim woont in Groningen. Ze heeft Italiaanse Taal en Letterkunde gestudeerd in onder andere Siena en Urbino, Italië.























Bergen bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden afgewisseld door stoplappen.
Waar gaat het over en waar gaat dit verhaal naar toe?
Nieuwe reactie inzenden