Expats in fictie
In de 2011 Expats-in-fictie-competitie werden lezers uitgenodigd een verhaal met een expat in de hoofdrol te schrijven.
De trein van Diyarbakir naar Istanbul rijdt door onherbergzaam gebied. De reis duurt anderhalve dag. De eerste acht uur zit er op. Ik leg mijn e-reader opzij en rek me uit.
In Diyarbakir heb ik de begrafenis van mijn ex-schoonmoeder bijgewoond. Heen met het vliegtuig en terug met de trein. Eén keer in je leven moet je een keer per trein door Turkije reizen en dit leek me een uitstekende kans.
Het is warm in de trein. Het voorbij snellende landschap is eentonig, ik doe mijn ogen dicht en luister naar het dedeng-dedeng van de trein.
Mijn couchette deel ik met een gezette, zwijgende jonge vrouw. Ze draagt een gebloemde lange rok met een beige T-shirt waarover een gebreid vest. Bij mijn binnenkomst trekt ze onmiddellijk haar hoofddoekje over haar hoofd en krijg ik niet meer dan een afgemeten knikje. Nu en dan kijkt ze even naar me, breit dan, met hele kleine pennen, verder aan sloffen in een ingewikkeld patroon met felle kleuren wol.
Naast haar ligt een jongetje van ongeveer een jaar te slapen. Af en toe wordt hij wakker, begint een beetje te jengelen, krijgt dan water of een biscuitje, waarna hij onmiddelijk weer inslaapt. Het joch ziet er schoon uit. Hij draagt een rood broekje en grijze sokken en een truitje met een bruine beer erop die lachend de wereld in kijkt.
Mijn ledemeten zijn stijf en ik besluit wat te gaan eten in de restaurantiewagon, vier wagons verderop. Als ik er binnen kom hangt er een gordijn van rook. Niemand trekt zich iets aan van de bordjes 'Verboden te roken, boete 69 TL'.
Ik ga aan een tafeltje zitten met een geblokt kleedje vol vlekken en geef na een korte blik op de menukaart mijn bestelling op.
Een oudere man kijkt afkeurend als ik mijn blikje cola opentrek. Het is lauw en ik krijg het met moeite weg. Pas als ik om me heen kijk, zie ik dat ik de enige vrouw ben. Is dat de reden dat hij afkeurend kijkt?
Ik glimlach naar de ober die mijn bord met kikkererwten op tafel zet terwijl hij vraagt, waar ik vandaan kom.
'Holland', zeg ik, terwijl ik een stuk citroen uitknijp over een salade die in de olie drijft. 'Maar ik woon in Istanbul.'
De mannen fronsen hun wenkbrauwen.
'Waarom woon je in Turkije? Holland … Holland is goed!' zegt een jonge man met een slecht gebit.
'Ik houd van Holland, Turkije én van Istanbul', antwoord ik vriendelijk.
Er ontstaat een hevige discussie onder de mannen over Istanbul en het aantal mensen dat er woont.
Het is donker als ik, met een beetje zuur gevoel in mijn maag, mijn couchette binnen ga. De bedden zijn opgemaakt en de vrouw en het kind liggen te slapen. Het joch maakt kleine snurkgeluidjes.
De bedden zijn opgemaakt met het kussen richting de deur. Ik draai mijn beddengoed om en ga op mijn buik liggen zodat ik door een spleet in de gordijnen naar buiten kan kijken.
Er staat een bijna volle maan en ik zie heuvels niet ver van waar wij rijden.
De trein stommelt gestaag verder, terwijl ik weg soes.
Er klinkt een knal, en nog een en nog een. De trein komt met een schril geluid en kermende remmen tot stilstand. Weer een knal, er klinkt geschreeuw, gegil en weer een serie knallen. Geweerschoten, analyseert mijn geest.
Het kind slaapt nog steeds, maar de vrouw is wakker en roept zachtjes Allah aan.
Door de spleet in het gordijn zie ik dat er buiten wat sneeuw ligt dat glinstert in het maanlicht met verder weg de donkere schaduwen van heuvels die zich tegen enkele voortsnellende wolken aftekenen.
De vrouw zegt niets maar ik leg toch mijn vinger op mijn lippen en gebaar haar dat ze stil moet zijn. Ik vermoed dat ze niet kan praten, want ze heeft ook nog niets tegen het kind gezegd, dat verbazendwekkend alleen nog maar geslapen heeft. Heeft ze hem iets gegeven om te slapen, vraag ik me af.
Ik kijk uit het raam en zie in de schaduw van een rots iets weg duiken. Een vurige flits schiet door de nacht en er volgt een knal. Er klinkt een gedempte schreeuw. Verdomd, ze schieten echt! Met mijn hand op mijn hart, dat als een waanzinnige klopt, trek ik mijn hoofd snel terug.
De vrouw zit doodstil, maar knikt toch gehoorzaam als ik weer mijn vingers op mijn lippen leg.
Ze trekt aan mijn mouw als ik de deur van onze couchette op een kier zet. Ik draai me om en als ik zeg dat ik alleen maar wil kijken, laat ze me los.
De lichten in de gang zijn uit en behalve af en toe een gesis van de diesel van de trein is het doodstil. Waar is iedereen? Onze couchette is vlak bij de deur naar buiten. Ik overweeg een sprint te nemen maar als ik verderop een schreeuw en een schot hoor, sluit ik onhoorbaar de deur.
Angstzweet glijdt over mijn rug
Ik kijk naar de vrouw en vraag: 'Hoe heet je?'
'Cennet', antwoordt ze.
Idioot, Cennet betekent hemel in het Turks en dat is waar we nu helemaal niet zijn. Maar ik ben blij dat ze toch kan praten. Met een glimlach knijp ik bemoedigend, iets wat ik totaal niet voel, in haar arm en fluister: 'Ik heet Maria'.
Buiten wordt weer geschoten, er wordt geschreeuwd en er klinken wanhopige kreten.
Terwijl ik bang tegenover Cennet zit vraag ik me af waarom ik zo nodig naar de begrafenis van mijn schoonmoeder moest. Ik had haar al in geen zes jaar gezien of gesproken. Stommeling. Idioot. Had ik maar gekeken op de website van het Ministerie van BuZa die je vertellen waar wel en waar niet te gaan. Als ik daar las waar het gevaarlijk was, dacht ik altijd: nou, daar hoef ik dus gelukkig niet heen! En nu zit ik hier. God, wat een ellende!
Met gespitste oren denk ik na. In films wordt er altijd behoorlijk ge-escaped, maar in het echt is het heel anders. Ik trek voor alle zekerheid mijn trui en mijn bergschoenen aan.
Cennet gaat breeduit voor de deur staan.
Verbaasd zeg ik: 'We moeten hier weg. Straks worden we doodgeschoten!'
Ze schudt haar hoofd en als ik haar opzij wil duwen haalt ze plotseling een heel echt pistool van onder haar vest tevoorschijn.
Alles draait om me heen. Wat gebeurt hier, waarom heeft ze een pistool? Ik hoor iemand huilen en besef dat ik het zelf ben.
Cennet, waarvan ik nu vermoed dat ze helemaal niet zo heet, gebaart me dat ik op het bed moet gaan zitten.
'We wachten', zegt ze.
'Waarop? Waar wachten we op Cennet?' ik kijk haar vragend aan.
Haar zoontje is wakker geworden en kijkt met grote donkere ogen naar ons.
'We wachten', zegt ze en gaat tegenover me op het bed zitten.
Mijn hoofd tolt om. Ik moet hier weg, maar hoe. Cennet houdt haar blik onafgebroken op mij gericht.
'Ben je een terrorist?' vraag ik haar.
'Ik ben geen terrorist.' Dan zwijgt ze weer.
We zitten tegen over elkaar. Het joch slaat met zijn handje op het hoofd van zijn moeder en ze weert hem af. Buiten klinken weer schoten. Misschien is haar man daar wel aan het vechten en moet ze op hem wachten. Misschien heeft ze orders gekregen niemand de trein uit te laten.
In gedachten ga ik terug naar Drenthe eind jaren zeventig. Dat is het natuurlijk, denk ik ineens. Deze trein is gekaapt! En de overvallers willen iets. Vrijheid, geld, noem maar op.
Het jongetje begint te huilen en één moment maakt ze haar blik van mij los.
Ik grijp mijn rugzak, ruk de deur van onze chouchette open en ben met één sprint in de gang. Cennet schreeuwt en schiet. Ik hoor de kogel langs mijn oor suizen en spring dan door de open treindeur naar buiten. Er is geen tijd om me te oriënteren, maar ik zie door het vage maanlicht een rots voor me en struikelend zoek ik dekking. Cennet schreeuwt en een andere kogel ketst tegen de rots. Ik voel een splinter in mijn wang bijten, terwijl ik snikkend languit tegen de rots val. Er is maar één gedachte: weg, zo ver mogelijk weg!
Net als ik overeind krabbel klinkt er een enorme explosie, oranje vonken en een gele wolk stijgt boven het midden van de trein omhoog uit. Het treinstel wordt opgelicht en valt dan met een klap terug. Vlammen slaan uit de restauratiewagon.
Kermend houd ik mijn maag vast en rol me op als een foetus, dit is te erg. Zaten er nog mensen in? Er klinkt nog meer gegil en wanhopig geschreeuw.
Ik tast om me heen en vind mijn rugzak en begin te rennen. Weg van de trein.
Achter me klinken nog meer explosies en schoten. Ik ren, loop stukken en ren dan weer, tot ik niets meer hoor en laat me dan uitgeput vallen.
Kou voel ik niet meer. Het is alsof ik in een soort niemandsland ben. Ik praat met mijn overleden moeder. Achter mijn oogleden hangt een rode gloed die langzaam lichter wordt. Het licht wordt sterker, vaag hoor ik stemmen en geroep.
Paniek breekt me uit mijn lethargie en ik worstel om op te staan. Weg, weg van de trein!
Handen op mijn schouder, kalmerende stemmen, geblaat. Ik doe mijn ogen open, knijp ze weer dicht en hul me dan in de warmte van twee schaapsherders.
Loes Masseree woont sinds 2000 in Turkije, eerst in Bodrum en sinds zeven jaar in Istanbul. Zij is lid van een international schrijversclub waarvan een lid in Australië woont, twee in België, zij in Turkije en de rest in Nederland.























Beste Floris, ik ben de schrijfster van De Aanval. Ik stel het zeer op prijs als je aan zou kunnen geven waar ik in de fout ga. Ik probeer zo goed mogelijk te schrijven en volg op het moment ook een cursus Korte verhalen Schrijven van Schrijven Online. Ik zou het fantastisch en leerzaam vinden als je zou kunnen vetdrukken waar het fout gaat,
met vriendelijke groet. Je kunt me mailen op lmasseree@yahoo.com
Loes Masseree
Het veelvuldig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden en stoplappen leidt zo af van het waarachtige verhaal. Ook deze inzending loopt ervan over. Echt jammer. Het waarachtige verhaal blijft zo verborgen.
In gedachten ga ik terug naar Drenthe eind jaren zeventig. De ik-persoon/schrijver van dit verhaal was ook bij de kaping?
Nieuwe reactie inzenden