Iemand in mijn familie zet onmiddellijk al zijn stekels overeind als hem naar een reden wordt gevraagd. Hoe onschuldig de vraag ook is.
‘Waarom heb je dat krat daar neergezet?’ kun je hem niet veilig vragen. Dan antwoordt hij gepikeerd of daar iets mis mee is.
‘Waarom ga je met de fiets?’
‘Mag dat niet, dan?’
‘Waarom neem je die blauwe?’
‘Dat is toch zeker mijn goed recht!’
Letterlijk vraagt waarom alleen maar naar een reden. Hadden we het daar maar bij gelaten. Maar we gebruiken waarom ook, heel vals, als we iets anders bedoelen. Minder neutraal, minder vriendelijk ook. Waarom betekent vaak: ‘Een goede reden heb je niet. Je wilt alleen mij maar dwars zitten. Ja, lul je daar maar eens uit!’ Het is een verwijt.
Zo komt het dat mijn familielid zich bij iedere waarom-vraag aangevallen voelt.
Als je alleen maar naar een reden vraagt:
‘Waarom vier je je verjaardag op zondag?’
Wordt hij kwaad.
Of als je hem een tip aan de hand wilt doen:
‘Waarom neem je je zoontje niet mee?’
Wordt hij woest.
Of als je gewoon hoopt dat hij meer weet dan jij:
‘Waarom is Mars onbewoonbaar?’
‘O, is dat soms ook al mijn schuld?!’ Razend.
Bij hem kom je soms niet verder dan: ‘Waarom...’ Dan slaat hij al op tilt. Moeilijk praten is dat, hoor.
‘Kun je mij een reden aan de hand doen die ten grondslag ligt aan het feit dat jij ervoor gekozen hebt je verjaardag op zondag te vieren?’
‘Huh?’






















Nieuwe reactie inzenden