Ergens in Suriname loopt een man rond die Sien heet. Je schrijft S, E, A, N; in Ierland zou dat worden uitgesproken als Sjòòn. Maar toen ik vroeg waarom hij zijn naam niet op z’n Iers uitsprak, zei hij: ‘Mijn moeder heeft mij Sien genoemd, dus heet ik Sien.’ Ik dacht: doe mij zo’n zoon!
Hoe namen worden uitgesproken, heeft vaak weinig meer te maken met hun herkomst. Ik ben zo’n irritant type dat MAR-cel koppig Mar-CEL noemt. Mijn buurman heette An-DRÉ voor mij, ook al zei zijn hele gezin AN-dré. Ik probeer het echt wel, heus, maar ik krijg die beginklemtoon gewoon niet voor elkaar. Sorry, Frans gehad.
Die uitspraakverschillen zijn milieugebonden. Een Stephanie in een oud rijtjeshuis heet waarschijnlijk STE-fanie, en anders STEF-fenie. Een Stephanie in een oude villa daarentegen wordt eerder Stefa-NIE genoemd.
ME-lanie en MEL-lenie, NA-thalie en NET-telie krijgen vast geen brie op brood, terwijl Mela-NIE en Natha-LIE ‘s winters in Lech gaan skiën.
Nieuw geld kun je herkennen aan de klemtoon. In een glazen bungalow wonen en dan toch MA-rion heten. Of RE-mon. Daar staan geen boeken in de kast, maar glinsterende snuisterijen.
Vermoedelijk heeft die klemtoonsprong te maken met de kennis die de ouders hebben van de oorspronkelijke taal. Frans kunnen spreken is zelfs in Bloemendaal niet meer vanzelfsprekend, maar in Wijkeroog hoor je het echt zelden.
En Spaans? Naar Torremolinos op vakantie gaan helpt niet. Daar bestel je je patatje oorlog gewoon in het Nederlands.
‘Hé, MA-nu-wel, doe mij er twee van je!’













Nieuwe reactie inzenden