Het grammaticale onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden is verdwenen uit het taalgevoel van de meeste Nederlanders. Oudere Brabanders voelen het nog wel, maar verder noordelijk heet alles hij. Van Dale zet het geslacht er vaak al niet eens meer bij.
Er is intussen iets anders aan de gang. Het grammaticale geslacht wordt sluipenderwijs verdrongen door een inhoudelijk onderscheid. Bij betrekkelijke voornaamwoorden zie je dat het sterkst. Grofweg: naar dingen, abstracties en substanties wordt meer en meer verwezen met dat. Meisjes, jongens, huisdieren en oude vrouwtjes duid je met die aan.
‘Het meisje die chocola verkoopt geeft het aan het kind en haar moeder’ klinkt al normaal. Het betrekkelijk voornaamwoord die kleurt mee met het biologisch geslacht. Dat ook het kind een meisje is, hoor je aan het bezittelijk voornaamwoord: haar moeder. ‘De meisje’ hoor je trouwens ook al. Misschien zegt deze spreker nog wel ‘de chocola’, maar hij verwijst ernaar met het. Het is voor spullies.
Ik wil wel eens weten of de fysieke vorm van voorwerpen ooit invloed heeft gehad op het woordgeslacht. Gooi nooit een woordenboek weg! Want verdomd: stamper was ooit mannelijk. Staaf ook. En riet. Spuit. Wortel. Angel. Stok. Hoorn. Steel. Paal. Vrouwelijk waren kom, kop, schaal, vijzel. Bres en baai, hut en holte. Hoes, want, broek, schede. Kun je allemaal ín.
Toeval? Misschien, want ook al was moer vrouwelijk, de bijpassende schroef was dat ook. En pot was juist weer mannelijk. Maar ja, wat moet een pot ook met zo’n paal?






















Nieuwe reactie inzenden