Vraagt een journalist van BNR aan een man van de Spoorwegen: ‘Maar hebben jullie al een twee-punt-nul ingebouwd?’
De NS’er, die duidelijk in het duister tast, begint aan een ontwijkend antwoord. Duidelijk blijkt dat er van alles geautomatiseerd wordt in de treinen, maar het blijft bij lapwerk.
‘Dat bedoel ik’, houdt de verslaggever aan. ‘Waar blijft de 2.0?’
‘Eh? Wat bedoelt u daarmee?’ moet de spoorwegman met de billen bloot.
‘Nou, een vv.’
Het blijft stil.
‘Een vervolgversie.’
Opgelucht begint de spoorwegman uit te leggen dat het lapwerk eigenlijk een vervolgversie ís. Maar toch geen kakelverse 2.0, zoveel wordt toch duidelijk.
Twee-punt-nul-duikt nu zo vaak in het spraakgebruik op dat we er niet meer omheen kunnen. Het is een snelle, stoere manier van zeggen dat iets helemaal vernieuwd is, en beter geworden natuurlijk. Hetzelfde soort stoere mannen (ik denk dat ze zichzelf decision makers zouden noemen; ze kunnen in ieder geval goed met computers en met geld omgaan) gebruikt die twee en die nul ook op een andere manier. Twintig-tien, hoor je ze zeggen. Daarmee bedoelen ze het jaar 2010.
In het tijdschrift Onze Taal pleit een lezer ervoor het jaartal op deze manier aan te duiden, omdat we toch ook negentiennegentig zeiden. Maar er is een verschil, vind ik. We zeggen namelijk wel twaalfhonderd en negentienhonderd, maar niet twintighonderd en dertighonderd. Dus twintig-tien klinkt - sorry - als aanstellerij. Het zijn dezelfde types die twenty-four seven (24/7) zeggen, terwijl vierentwintig zeven toch ook kan.
Zelf zeg ik trouwens liever: dag en nacht.






















Nieuwe reactie inzenden