In mijn jeugd woei de wind. Meisjes vreeën en vrouwen breeën. Zwervers zwierven, meiden molken en jagers joegen. Er was een God die schiep en een bijpassende koningin die woof.
Maar mijn oma kloeg dat de mensen zo weinig loechen....
De tijd vloot en de sterke werkwoordsvormen verzwonden.
Tegenwoordig hoor ik kinderen zeggen dat hun moeder thee inschenkte en brood snijdde. Kinderfouten? Allochtonentaal? Misschien. Maar niet lang meer.
We zulden vanmiddag gaan zwemmen, maar het gade niet door, want wat blijkte: toen ik naar buiten kijkte, ziende ik dat het beginde te stortregenen en op het laatst waaide het zo hard dat de veerpont de kade op vaarde en er vissen in de plassen zwemden.
Ja, lach maar. Over tien, twintig jaar is dat goed Nederlands.
Tenminste, als niet de hele verleden tijd verdwijnt. Want in de praktijk hoor je nu al dit:
Ik denk vanmiddag: ik ga zwemmen. Maar ik kijk naar buiten en wat blijkt: het begint te stortregenen. En later waait het zo hard, de veerpont vaart de kade op en in de plassen zwemmen vissen. Dus ik denk: ik ga maar niet.
Simpel? Kan zijn, maar het is evengoed effectief taalgebruik. Geen reden tot paniek.
Maar tegen mijn moeder zeg ik dat het gisteren zo hard woei dat de pont niet voer, en zelfs tegen mijn dochter durf ik dat. Belt dan even later een collega, dan hoor ik mezelf zeggen dat het waaide. Sterke werkwoordsvormen zijn voor intimi. Zo hebben ze toch nog hun nut.























Nieuwe reactie inzenden