‘O, ben je op de brommer?’
Het is een bepaald soort mensen dat dat vraagt. Niet als iemand op de bromfiets is gekomen, maar wanneer ze iemand van de motor zien stappen. Vooral jong-achtige mannen doen het, mannen die zelf geen motor hebben. Ben je op de brommer? Ze denken dat het grappig is. Maar het geeft iets prijs van hun gevoel: ze zijn jaloers. In het diepst van hun gedachten zijn ze namelijk zelf bezitter van een motorfiets.
Iemand die zelf een motor heeft, noemt dat ding hooguit fiets, nooit brommer.
Tegenwoordig heten de meeste brommers scooters. Vanwege die geinige treeplank en de warme knieën. En wat vroeger een scooter heette, is nu bevorderd tot motorscooter.
Mijn moeder kende de jongen die het woord brommer bedacht voor een fiets zonder trappers. Rare Jo, noemt ze hem. Als hij nog leeft, moet hij in de tachtig zijn. Op zoek naar de herkomst van het woord bromfiets, komt het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) niet verder dan 1964, en de bedenker zou wellicht de stukjesschrijver Henri Knap zijn. Maar Rare Jo was hem met zijn brommer ver voor, want hij bedacht het rond 1955.
Nog even brommen: ik vind dat iedereen die het woord motormuis bezigt, van rechtswege moet worden veroordeeld tot levenslang kijken naar het tv-programma Wegmisbruikers. (De kans dat presentator André van der Toorn motor rijdt, lijkt me vrijwel nihil.) Zoals de meeste motorrijders ben ik een vreedzaam mens,
























Nieuwe reactie inzenden