John Deweijert was pas 24 toen hij zich in 1960 liet naturaliseren tot Canadees. De Tweede Wereldoorlog had diepe wonden geslagen in het leven van hem en zijn familie. Zo diep, dat hij opgelucht was toen hij in 1953 weg kon uit zijn geboorteland. Maar zijn Nederlandse verleden laat hem niet met rust.
John Deweijert vroeg ons langs te komen tijdens de Wereldomroep-afscheidsreis. Na een lange rit door New Brunswick worden we gastvrij onthaald door een vrolijke zeventiger die ons Poolse golabki (koolrolletjes gevuld met gehakt) op een tafellaken met delftsblauwe motieven serveert.
John woont met zijn Canadese vrouw Marilyn op een idyllische plek in New Brunswick, zo ver weg van alles en iedereen, dat hij in aanmerking komt voor de uitreiking van de prijs voor de meest afgelegen wonende Nederlander in Canada: een ouderwetse, oer-Hollandse wc-kalender.
Spoorbrug
John heeft goed geboerd in Canada. Hij heeft alles, lijkt het wel, inclusief een leuke familie en een mooi huis. Maar hij meldde zich niet bij ons om te vertellen over zijn succesvolle emigratie. Sinds zijn pensionering houdt John zich veel bezig met vroeger, vooral met de Tweede Wereldoorlog.
'Aan het begin van de oorlog overleed mijn zusje. In een poging om de opmars van de Duitsers tegen te houden, werd op 10 mei de spoorbrug bij Oosterbeek opgeblazen. De autoriteiten hadden de bevolking gewaarschuwd, maar de explosie vond een uur te vroeg plaats.'
'Mijn ouders hadden ons binnengehaald. Jannie stond bij de open achterdeur om de kat te roepen. Ik stond vlak achter haar, toen en stuk metaal van de brug haar in het voorhoofd trof. Op 11 mei overleed ze aan haar verwondingen. Ons gezin was door haar dood totaal verslagen.'
Schoppend en bijtend
Zuske, zoals op de grafsteen staat, werd begraven op het kerkhof in het Oosterbeekse bos, waar nu de militaire begraafplaats voor soldaten uit de Commonwealth tegenover ligt. Het is een mooie plek, tussen hoge bomen, die je in Nederland alleen op de Veluwe aantreft.
John, destijds nog Hans, was op het moment van dit drama vier jaar oud. Hij mocht niet mee naar Jannie's begrafenis. Hij herinnert zich nog hoe hij gillend, schoppend en bijtend door kennissen werd afgevoerd naar het nabijgelegen hotel Dreijeroord om daar de terugkeer van zijn familieleden af te wachten.
Achteraf zegt John dat hij als enige van zijn familie de oorlog min of meer ongeschonden is doorgekomen. Hij miste zijn zusje, zijn beschermengel, vreselijk. Maar zijn ouders en oudere broer voelden zich schuldig aan de dood van het meisje, ook al konden ze er niets aan doen.
Schande
De dood van Jannie luidde vijf zware oorlogsjaren in. De gezondheid van Johns vader was slecht. Toen hij op een dag een zware astma-aanval kreeg, ging zijn moeder de dokter bellen in hotel Dreijeroord aan de overkant van de weg. Daar maakte zij kennis met Kees van der Sluys, eigenaar van het hotel.
De twee kregen een relatie. In 1943 ging Johns moeder ook in Dreijeroord wonen, een schande in die tijd. John bleef achter bij zijn grootouders. Pas een jaar later volgde hij zijn moeder naar Dreijeroord. John had moeite om te wennen aan 'oom Kees', met wie zijn moeder in 1944 in het huwelijk was getreden.
Hotel Dreijeroord bestaat nog steeds. Het is een robuust gebouw met de uitstraling van een Zwitsers chalet. Onder de dakrand boven de ingang kijkt een hertengewei neer op de binnenkomende hotelgasten. Van de beschadigingen die het hotel in de oorlog opliep, is op het eerste oog niets meer te zien. Om dit gebouw, The White House, zoals de geallieerde troepen het noemden, is in 1944 zwaar gevochten.
Onderduikers
Weliswaar leefden Johns ouders het grootste deel van de oorlog al gescheiden, maar zij werkten nauw samen. 'Mijn vader verborg Joodse onderduikers. Mijn stiefvader sluisde voedsel voor zijn hotel door naar mijn vader om de onderduikers te voeden. Tegelijkertijd onderhielden ze goede relaties met in het hotel ingekwartierde Duitsers. Mijn ouders en stiefvader speelden een bijzonder gevaarlijk spel. Ze zijn er na de oorlog nooit voor beloond. Integendeel.'
John was getuige van het begin van de slag om Arnhem. Vanuit het hotel zag hij hoe Arnhem gebombardeerd werd, hoe de Duitse soldaten op de vlucht sloegen en de eerste parachutisten uit de lucht kwamen zetten. Toen de gevechten dichtbij kwamen, bivakkeerde het gezin, samen met mensen uit de buurt, in de kelder van het hotel, dat op dat moment in Engelse handen was. Maar de Duiters herwonnen terrein, de Engelsen trokken zich terug, en de Duitsers verschenen weer in het hotel. Het gezin raakte op drift, en bracht na een uitputtende zwerftocht van meer dan drie maanden, waarbij de toen 8-jarige John opnieuw wekenlang alleen was, het laatste oorlogsjaar door bij familie in Westmaas, in de Zuid-Hollandse Hoekse Waard.
Astma
Na de oorlog wilden Johns moeder en stiefvader niets liever dan terug naar Dreijeroord. Maar het hotel was zwaar beschadigd. John belandde in Zutphen, opnieuw in z’n eentje, en bezocht daar het Christelijk Lyceum. Zijn moeder en haar man werden verdacht van ‘heulen met de vijand’ tijdens de oorlog, waarschijnlijk omdat ze enige tijd in Velp in een huis woonden, waar eerder Duitsers hadden gezeten.
Ze kregen te maken met tegenwerking van de Nederlandse autoriteiten op allerlei manieren. Zo werden ze geconfronteerd met achterstallige telefoonrekeningen voor gesprekken die de Duitsers hadden gevoerd toen zij het hotel bezet hielden. Johns moeder en stiefvader kregen tegenslag op tegenslag. In 1955 of 1956 verkochten ze noodgedwongen het hotel.
Volgens John is het zijn moeder en haar man nooit meer gelukt hun leven na de oorlog goed op de rails te krijgen. 'Pas in 1955 kregen ze een vergoeding voor geleden schade. Veel te laat. Ik was toen al weg.’
Johns vader was al eerder, in 1950 aan de gevolgen van astma overleden.
Papierfabriek
Tijdens zijn middelbareschooltijd kwam de gedachte bij John op om Nederland te verlaten. Maar het was zijn oudste broer, Joan ('Joop'), die als eerste koos voor emigratie. Toen Joop in 1953 een zwaar ongeluk kreeg in Canada, zochten de toen 17-jarige John en zijn moeder hem op: John als emigrant, zijn moeder op een toeristenvisum.
Joop overleefde, maar zijn been moest worden geamputeerd. Canada zat niet op invaliden te wachten, dus hij moest terug naar Nederland. Dat wilde hij niet als John achterbleef. Dus in December 1954 keerden moeder en beide zoons terug naar Nederland. Maar John bleef erg ongelukkig, en in maart 1955 keerde hij terug naar Canada. Dit keer definitief.
Canada bood John de gelegenheid het moeizame Nederlandse verleden van zich af te schudden. Hij wist van aanpakken. Hij werkte onder meer als visser, in de mijnbouw en in een papierfabriek, maar zijn hart lag bij het boeren. Hij trouwde met de Canadese Marilyn, met wie hij drie kinderen kreeg. Inmiddels hebben ze zelfs achterkleinkinderen. Johns emigratie werd een succes.
Burgerslachtoffers
Eens in de paar jaar keert John terug naar Nederland. Tijdens een bezoek aan Amsterdam in 2008 werd hij getroffen door de rijen mensen die voor het huis van Anne Frank stonden te wachten. 'Toen dacht ik: Mijn zusje verdient het om net als Anne te worden herdacht. Zij was een van de eerste burgerslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.'
Als we John in Canada opzoeken, heeft hij de plakboeken klaarliggen. Daarin heeft hij alle gebeurtenissen waarvan hij in de oorlog getuige was, nauwkeurig gedocumenteerd. John is de laatste van zijn gezin die nog in leven is. Zijn grootste zorg is nu het familiegraf, waarin zowel zijn zusje als zijn vader begraven liggen.
Hij heeft al contact gehad met de gemeente Oosterbeek en gevraagd of zijn zusje niet als eerste burgerslachtoffer van de Tweede Wereldoorlog dezelfde eer kan worden bewezen als de militairen op de begraafplaats tegenover. Maar de gemeente heeft het voorstel afgewezen. 'Ik moet er niet aan denken dat straks het graf van Zuske zal worden geruimd.'





















John kan het graf toch op de naam van zijn kinderen zetten, zodat er altijd contact opgenomen zal moeten worden voor een gemeente tot ruiming over gaat?
Of laat het inderdaad adopteren door een stichting of school.
Genoeg mogelijkheden!
Mooi verhaal....Het stuk over Zuske zou ook de jongeren van vandaag aan kunnen spreken. Wat wat met haar gebeurde brengt die vaak niet te bevatten grote oorlog terug naar menselijk perspectief. Misschien is het mogelijk het graf te laten "adopteren" door een basisschool in Oosterbeek?
Ontroerend verhaal.
Nieuwe reactie inzenden