De Tweede Wereldoorlog is voor Nederland een bestendiging van de relatie met de overzeese gebiedsdelen terwijl het voor Suriname en de Antillen zelf een aanzet is tot autonomie. Dat is één van de conclusies die worden getrokken in het boek 'Oorlogserfgoed overzee' van historicus Esther Captain en antropoloog Guno Jones.
Jones en Captain deden een studie naar de erfenis van de Tweede Wereldoorlog op Aruba, Curaçao, Indonesië en Suriname. "In Indonesië is bevrijdingsdag de dag waarna ook de onafhankelijkheid van Indonesië volgde en heeft het dus een hele andere betekenis", vertelt Captain. In Suriname heeft bevrijdingsdag geen rol van betekenis. "Alleen 4 mei, de dodenherdenking, wordt daar gevierd. Net als op de Antillen."
Oorlog
Bij het woord 'oorlog' wordt er in Nederland meteen een associatie gemaakt met de Tweede Wereldoorlog. Op de Nederlandse Antillen is dat volgens Captain ook het geval. Maar in Suriname wordt vooral gedacht aan de binnenlandse oorlog die speelde tussen het leger van Desi Bouterse en het rebellenleger van Runnie Brunswijk. "Men denkt meer aan de recente geschiedenis", meent Jones.
Het boek 'Oorlogserfgoed overzee' gaat vooral over de periode na de Tweede Wereldoorlog. Captain: "We hebben willen laten hoe na de oorlog wordt omgegaan met de herinnering aan de oorlog. Hoe de oorlog een plek heeft gekregen in de samenleving. Mensen gaan op de Antillen op een hele andere manier met die erfenis om. De meeste is vervallen geraakt, er is niet naar omgekeken. Het wordt als hangplek gezien."
Dankbaarheidsmonument
In Suriname is dit anders, weet Jones. "Er is erfgoed waar jaarlijks rituelen worden georganiseerd, waar de regering bij aanwezig is, waarbij kransen worden gelegd. Er zijn ook monumenten die veel minder leven, waaronder het dankbaarheidsmonument. Dat wordt zelfs door de veteranen niet worden erkend als oorlogserfgoed. Een gebaar is moeilijker te herdenken dan gevallen slachtoffers. Het wordt wel goed onderhouden, maar het leeft niet."
De mensen die in Suriname betrokken waren bij de nagedachtenis aan de Tweede Wereldoorlog, waren mensen die voorstander waren voor de autonomie, vertelt Jones. "Ze zeiden: 'We hebben voor Nederland gevochten, dat onderstreepte de zelfredzaamheid. We verwachten nu ook iets terug'. De koningin had in 1942 de autonomie in het vooruitzicht gesteld, dus men zag geen spanningsveld tussen liefde voor de koningin en zelfredzaamheid."
Hulpgoederen naar Nederland
Voor de Antillen was de situatie na de Tweede Wereldoorlog anders. "Er was betrokkenheid bij Nederland. Op Aruba had je het Aruba Hulpfonds en op Curaçao was het Curaçaos Nationaal Steunfonds. Op Aruba is 300.000 gulden ingezameld aan hulpgoederen voor Nederland. Heel veel. Maar tegelijkertijd vond men het belangrijk dat Aruba en de Antillen meer onafhankelijkheid zou krijgen. Het zelfbewustzijn kwam: we zijn sterke landen."
Uiteindelijk ging het onafhankelijkheidsproces in Suriname veel sneller dan op de Antillen. Jones: "Het is een feit dat in Suriname die hele autonomiegedachte veel sterker leefde. Men wilde toen al de optie dat men uit het Koninkrijk kon treden."



























Nieuwe reactie inzenden