Er wordt een onafhankelijk onderzoek ingesteld naar de agent die op vrijdag 27 januari een inbreker op Curaçao doodschoot. Dat bevestigen de politie en het Openbaar Ministerie.
De agent in kwestie hield die ochtend in de wijk Cocori de 48-jarige Rignald Jasinta staande omdat die zich ‘verdacht gedroeg.’ Jasinta weigerde zich echter te identificeren en gedroeg zich volgens de verklaring van de agent ‘zowel verbaal als fysiek agressief’. Toen de agent hem in de boeien wilde slaan verzette hij zich en vluchtte.
De politieman trok daarop zijn wapen en schoot Jasinta in zijn onderlichaam. Enkele uren later overleed hij in het ziekenhuis. In de tas die Jasinta bij zich droeg werden spullen gevonden die enkele uren eerder uit een huis in de buurt waren gestolen.
“We zijn vanaf de eerste dag bezig me het onderzoek naar dit schietincident”, vertelt politiewoordvoerder Reginald Huggins. “Er wordt gekeken naar wie erbij betrokken was, hoe het vuurwapen precies is gebruikt en wat de omstandigheden waren. Ook moet de agent zelf rekenschap afleggen over het vuurwapengebruik.” Hoe lang het onderzoek gaat duren kunnen Huggins en het OM nog niet zeggen.
Strikte regels
Voor het gebruiken van een vuurwapen door de politie gelden strikte regels die zijn opgenomen in artikel 7 van de ambtsinstructie voor de politie, die in 1994 is uitgegeven door de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken.
Daarin staat dat ‘het gebruik van een vuurwapen alleen is geoorloofd om een persoon aan te houden van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnde vuurwapen bij zich heeft en zal gebruiken.’ Volgens Huggins had Jasinta ‘geen vuurwapen bij zich’, maar honderd procent zeker weet hij dat niet. “Het onderzoek moet uitwijzen hoe het precies zat.”
In de ambtsinstructie staat dat ‘het gebruik van een vuurwapen niet geoorloofd is als de identiteit van de aan te houden persoon bekend is en redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het uitstel van de aanhouding geen onaanvaardbaar gevaar voor de rechtsorde met zich meebrengt.’
Jasinta was een bekende van de politie. Op 17 januari moest de politie uitrukken vanwege huiselijk geweld waarbij Jasinta volgens Huggins ook een woning in brand had gestoken. Omdat er geen aangifte werd gedaan is Jasinta niet vervolgd.
Of Jasinta onder artikel 7 valt moet het onderzoek ook nog uitwijzen. Onder dat punt staat namelijk ook dat ‘het gebruik van een vuurwapen door een agent alleen is geoorloofd als de persoon in kwestie wordt verdacht van of is veroordeeld voor een misdrijf waar tenminste vier jaar gevangenisstraf op staat. Of als de vrijheid van de persoon een bedreiging is voor de samenleving.’
Opvang
Politieagenten worden tijdens hun training voorbereid op acties met de dood als gevolg. Toch kan het daadwerkelijk doodschieten van een persoon volgens de politiewoordvoerder ‘een behoorlijke impact hebben op een agent’. “We hebben voor dit soort gevallen bij de politie zowel maatschappelijke als psychologische begeleiding. Met de agent in kwestie gaat het overigens goed.”
Of de politieman alweer aan het werk is en of hij een andere aanstelling heeft gekregen zolang het onderzoek loopt, kan Huggins niet zeggen. “Over het algemeen wordt gekeken naar de aard van de situatie. Als voor het onderzoek al een vermoeden bestaat dat het om onrechtmatig wapen gebruik gaat dan wordt de agent op non actief gezet. Ook de aard van het onderzoek speelt een rol.
Als voor het onderzoek van belang is dat de agent niet in functie is dan wordt daar ook rekening mee gehouden. Verder wordt er gekeken naar de emotionele en fysieke toestand van een agent. Op basis van dat onderzoek wordt bepaald of de agent door kan werken of niet.”




























CPD: shoot first, ask questions later.
Nieuwe reactie inzenden